Oorspronkelijk werd Diligentia geschreven met een accent circonflexe op de a. Dit is nu in onbruik geraakt, maar tot in de 19de eeuw werd de Latijnse ablativus met een circonflex aangeduid. Die ablativus, ook wel de 5de naamval genoemd, drukt o.a. een zg. 'instrumentalis' uit, dus 'het instrument waarmee iets geschiedt'. De beste vertaling van diligentiâ luidt dan ook 'door vlijt' of 'door zorgvuldigheid'
In september 1793 werd in Den Haag het Gezelschap ter beoefening der proef-ondervindelijke
wijsbegeerte opgericht. Dit gezelschap had ten doel de leden door middel van
voordrachten en demonstraties op de hoogte te brengen van de nieuwste vorderingen
van de natuurwetenschappen in de ruimste zin des woords. In die tijd was het
begrip natuurwetenschappen veel breder dan tegenwoordig en omvatte vakgebieden
als scheikunde, geneeskunde, biologie, sterrenkunde en aardrijkskunde.
Het aantal leden van het gezelschap was aanvankelijk beperkt tot 20, maar werd
al snel verhoogd tot 40 en daarna werd besloten het aantal afhankelijk te maken
van de beschikbare vergaderruimte. In de eerste jaren werden de lezingen gehouden
door de leden zelf.
Bovendien beschikte de Maatschappij toen over een bibliotheek, een verzameling
van natuurwetenschappelijke instrumenten en een "Kabinet van Natuurlijke
Historiën" met o.a. schelpen, mineralen en fossielen.
Aanvankelijk vergaderde het gezelschap ten huize van de voorzitter, maar al spoedig nam het ledental zo sterk toe, dat naar een ruimere lokaliteit moest worden omgezien. Men vergaderde enige tijd in de zalen van de Nieuwe Doelen (waar thans het Haags Historisch Museum is gevestigd), maar omdat de huur hoog was, besloot het bestuur in 1804 tot aanschaf van een eigen gebouw, "een huis in het Lange Voorhout Wijk I no. 269, met er benevens nog een huis en eene stallinge en koetshuis, in de Hooge Nieuwstraat", voor de somma van 8500 gulden (€3850). Het pand dateerde uit 1561 en behoorde tot de boedel van wijlen de Weduwe De Perponcher.
In 1805, na de eerste vergadering in het nieuwe gebouw, werd door het bestuur een nieuwe naam voor de vereniging voorgesteld: Maatschappij voor natuur- en letterkunde, ten zinspreuk voerende: Diligentia in Den Hage.
De natuurkundige vereniging heeft zijn naam gegeven aan het gebouw, dat bij
vele Hagenaars hoofdzakelijk bekend is als centrum voor muziek en kleinkunst.
Het oorspronkelijke embleem "Diligentia" van de Maatschappij, omgeven
door een krans van klimop en laurierbladeren, is nog steeds aanwezig in de gevel
van het gebouw. In 1859 werd de naam veranderd in Maatschappij voor Natuurkunde.
In 1953 werd, ter gelegenheid van het 160-jarig bestaan van de Maatschappij,
het predicaat Koninklijk verkregen. Toen werd tevens aan de Maatschappij de
zilveren penning van bijzondere verdiensten van de Gemeente 's Gravenhage toegekend,
als blijk van grote waardering voor het vele en belangrijke werk op natuurwetenschappelijk
gebied, dat door de leden van de Maatschappij in de voorgaande 160 jaar is verricht.
Ter gelegenheid van dat 160 jarige bestaan werd een beknopt boekje uitgegeven
van de geschiedenis: "Den
Haag en de Natuurwetenschappen"
Op 11 oktober 1793 werd de eerste spreekbeurt gehouden door mr. F.G. Alsche,
een van de vier
oprichters van het Gezelschap. De titel van zijn voordracht was: "Dat de
beoefening van nuttige
wetenschappen, vooral de wijsbegeerte, onder welke takken de natuurkunde de
voorrang verdient,
den mensch boven zijne natuurgenoten doet uitmunten".
In de beginperiode telde het Gezelschap zes werkende leden en in het eerste
"saizoen" hielden drie
van hen 13 spreekbeurten en het volgende jaar gaven vijf werkende leden hetzelfde
aantal
voordrachten. Daar in 1796 er maar drie werkende leden waren, was het bestuur
genoodzaakt
"zich te bedienen van de hulp van vreemde bekwaame personen, niet zonder
merkelijke
benaadeling der kasse". Op 23 december 1796 werd de eerste lezing door
een buitenstaander
gehouden, namelijk de wiskundige Abraham van Bemmelen, lector te Delft, over
het "Evenwigt in
de Natuur, door proeven bevestigd"; en hij vervolgt zijn betoog op 27 januari
1797 met "applicatie
de noodige proeven".
In de bestuursvergadering van 3 oktober 1793 werd besloten om de tekst van de
voordrachten niet
te bewaren; alleen de titels van de voordrachten bleven bewaard.
De heer P.A. Haaxman Jr., lid van Diligentia, was verslaggever bij het Dagblad
van Zuidholland en
's Gravenhage. In 1872 begon hij verslagen te maken van de voordrachten gehouden
voor de leden
van Diligentia, die werden gepubliceerd in dit dagblad. In 1873 werden op verzoek
van het bestuur van
de Maatschappij en met toestemming van de directie van het dagblad, deze verslagen
gebundeld en
uitgegeven door H.C. Susan. Alle leden kregen het Jaarboek en het was ook verkrijgbaar
bij de
boekhandel. (Klik hier voor een foto van de voorpagina
en het voorwoord
van het eerste jaarboek).
Het volgende jaar (1874) begint het voorwoord van de secretaris als volgt: "Het
gunstig onthaal, dat
het aangeboden verslag der gehouden verhandelingen over 1872-73 bij de HH leden
heeft genoten,
deed het Bestuur van Diligentia besluiten opnieuw tot de uitgave der over het
jongst verlopen jaar
gehouden voordragten over te gaan". De heer Haaxman begint zijn "Voorberigt"
dan met "Niet zonder
schroom bezorgde ik het vorig jaar de eerste uitgave der Diligentiaverslagen,
niet kunnende
vermoeden, dat mijn arbeid het welwillend onthaal zou mogen te beurt vallen,
waarvoor ik bij deze
mijne erkentelijkheid betuig". Verder vermeldt hij: "het was mij dan
ook eene welkome aanleiding om
de verslagen over een twaalftal lezingen van de vorigen winter aan eene nauwkeurige
herziening te
onderwerpen".
De verslagen werden soms voorzien van commentaar door de schrijver over de indruk
die de spreker
had gemaakt en de reacties van de leden. De heer Haaxman heeft gedurende 50
jaren, tot 1922,
meer dan 600 voordrachten "verslaan" en de Jaarboeken geredigeerd.
Aan het einde van zijn loopbaan
als "verslaggever van Diligentia" maakte de heer Haaxman een register
van de 50 Jaarboeken , o.a.
aanwezig bij het Haags Gemeente-archief.
Om de publicatie van de Jaarboeken te continueren, werd in 1923 door het bestuur
besloten de
sprekers te vragen een verslag van hun voordracht te maken. Deze autoreferaten
worden sindsdien
uitgegeven onder de naam Natuurkundige Voordrachten, Nieuwe Reeks. (Klik hier
voor een foto van
de voorpagina
en inhoudsopgave
van nummer 1).
Van de eerste lezingen werd een register van de lezingen in een apart boekje
gedrukt:
Nieuwe
Reeks Lezing 1-25 en Nieuwe
Reeks Lezing 26-36
De Jaarboeken zijn aanvankelijk verzorgd door N.V. Boekhandel v/h W.P.van Stockum
& Zn,
's-Gravenhage en, sinds 1978, door Drukkerij Vis Offset, Alphen aan den Rijn.
Alle leden van de Maatschappij krijgen jaarlijks het Jaarboek toegestuurd. De
Koninklijke Bibliotheek
en verschillende universiteitsbibliotheken (Delft, Utrecht en Leiden) krijgen
eveneens een exemplaar.
Een volledige verzameling van de Natuurkundige Voordrachten en de Natuurkundige
Voordrachten,
Nieuwe Reeks, is aanwezig bij het Haags Gemeentearchief. De manuscripten, die
in het eerste
Jaarboek, Nieuwe Reeks, werden gepubliceerd, tonen de diversiteit van de lezingen,
die werden
gehouden. Nog steeds wordt bij de keuze van de onderwerpen voor de lezingen
gestreefd naar
een breed spectrum van natuurwetenschappelijke thema's.
De Maatschappij heeft gedurende vele jaren culturele activiteiten georganiseerd. Reeds in 1795 werd een viertal concerten gehouden en de muzikale activiteiten namen een grote vlucht toen in 1821 het nieuwe genootschap Concert in Diligentia werd opgericht. Dit genootschap organiseerde vele concerten per jaar. Dit was een groot succes, zodat reeds in 1823 werd besloten tot een grootscheepse verbouwing van het gebouw. Een tweede verbouwing vond plaats in 1853. Bij deze laatste verbouwing ontstond de huidige grote zaal, die nog steeds bekend staat om zijn uitstekende akoestiek.
In 1985 werd de exploitatie van het gebouw, wat betreft de organisatie van muziek, kleinkunst en andere uitvoeringen, door de Maatschappij overgedragen aan de Stichting Kunstkring Diligentia. Deze Stichting heeft in 1993 het gebouw, waarvan de Maatschappij toen nog eigenaar was, ten dele gerenoveerd.
In 1953 werd, ter gelegenheid van het 160-jarig bestaan van de Maatschappij, het predicaat Koninklijk verkregen.
Er bestaat een jarenlange traditie in relatie tot het Koninklijk Huis. Sedert Koning Willem I hebben alle
regerende vorsten en vorstinnen de functie van beschermheer, resp. beschermvrouwe, aanvaard en vele prinsen en
prinsessen zijn erelid geweest. In 1843 vierde de Maatschappij zijn vijftigjarig bestaan in aanwezigheid van
Koning Willem II en de Prins van Oranje. In 1859 aanvaardde Koning Willem III het beschermheerschap van de Maatschappij.
Vanaf 1913 tot 1934 woonde Koningin Emma verschillende keren een lezing bij en vanaf 1936 trad Koningin Wilhelmina
op als beschermvrouwe. Koningin Juliana aanvaardde in 1949 deze functie en Z.K.H. Prins Bernhard was erelid
van de Maatschappij.
In 1956 werden H.K.H. Prinses Beatrix en in 1966 Z.K.H. Prins Claus ereleden van Diligentia. In 1980 aanvaardde
H.M. Koningin Beatrix de functie van beschermvrouwe.
In 1968 waren H.K.H. Prinses Beatrix en Z.K.H. Prins Claus aanwezig bij de lezing van Prof. dr M. Euwe.
Het 200-jarig bestaan van de Maatschappij in 1993 werd gevierd in aanwezigheid van H.M. Koningin Beatrix.